Vanaf 1766 was graaf Carel George van Wassenaer Obdam (1733-1800) eigenaar van kasteel en landgoed Twickel bij Delden. Daarnaast was hij onder andere lid van de Staten van Friesland, later van Holland en Overijssel, gecommitteerde ter Staten-Generaal, lid van de Raad van State, grietman van Franekeradeel, raad ter Admiraliteit van Friesland, en dijkgraaf van de Vijfdeelsdijken in Friesland.
In 1770 liet hij een zaag- en pelmolen bouwen. Deze kwam te staan aan de Oelerbeek op ongeveer 1200 meter ten zuidoosten van kasteel Twickel. De molen was een achtkantige stellingmolen met drie verticale zaagramen met slede en op de eerste verdieping een pel-installatie voor het pellen van allerhande granen. De uit Friesland afkomstige Johannes Prins werd belast met het toezicht.
Twente was in die tijd nog arm aan bos. In 1761 begon Graaf Unico Wilhelm van Wassenaer Obdam, de vader van Carel George met het aanplanten van bossen rondom Twickel. In de beginjaren van de zaagmolen was er op het landgoed Twickel slechts 20 hectare bos. Het hout voor de molen werd vanuit andere delen van Europa via Amsterdam aangevoerd. Het vervoer ging grotendeels over water: vanuit het westen van Nederland over de Zuiderzee, vandaar via de IJssel en de Regge naar Enter vanwaar het in de eerste jaren van het bestaan van de molen met paard en wagen naar de houtzaagmolen werd vervoerd.
Tussen 1771 en 1775 liet Carel George de Twickelervaart graven. Dit
ondiepe kanaal tussen Delden en Enter werd bevaren met platbodemschepen, de
Enterse zompen. In de buurt van de molen kwam een haven met een hefkraan en
er werd een schippersherberg gebouwd. Dit complex kreeg de naam
"Carelshaven". De haven is nu verdwenen maar de schippersherberg is
uitgegroeid tot hotel "Carelshaven".
De Twickelervaart was van groot economisch belang voor de regio en was
naast transportweg ook afwateringskanaal. De hierdoor ontstane lagere
grondwaterstand maakte de moerassige gebieden rondom Twickel beter geschikt
voor bosbouw en zorgde er voor dat er weidegrond beschikbaar kwam voor de
boeren. .
Na voltooiing van de Twickelervaart konden ongezaagde stammen geheel over water worden aangevoerd. Het gezaagde hout werd deels op het landgoed gebruikt en deels werd het naar Friesland verscheept en daar geleverd aan een houtverkoper in Makkum ten behoeve van de vloot van de Admiraliteit van Friesland. De pelinstallatie is tot ongeveer 1835 in gebruik geweest.
