Om
de productie op te voeren werd in omstreeks 1950 het kleine verticale
zaagraam vervangen door een horizontale zaagmachine. Deze machine is een
zogenaamd snelzaagraam. De snelheid van de enkele zaag is veel hoger dan die
van het verticale zaagraam. Bovendien zaagt deze machine naar twee kanten,
de tanden van de zaag zijn zo geslepen dat er zowel bij de heengaande als
bij de teruggaande beweging van de zaag gezaagd wordt.
De dikte van de planken kan per plank ingesteld worden. Zodra er een plank
gezaagd en de wagen waarop de boom ligt teruggereden is, wordt de zaag net
zoveel naar beneden gebracht als de gewenste dikte van de volgende plank.
De boom ligt op een
wagen die op rails loopt en wordt hier op vastgeklemd met
spantangen.
Deze
spantangen blijven altijd onder de zaag. Waar we bij het verticale zaagraam
telkens de balkijzers moeten verzetten om verder te kunnen zagen kan bij de
horizontale zaagmachine een plank in één keer worden gezaagd.
De zaagmachine wordt aangedreven door een elektromotor die een groot wiel
aandrijft waaraan een essehouten drijfstang zit die de ronddraaiende
beweging omzet in een heen en weer gaande. De elektromotor zorgt tevens door
middel van een ingenieuze overbrenging voor de verplaatsing van de wagen.
De horizontale zaagmachine staat op een zware betonnen fundering, die
gedeeltelijk in het ketelhuis is geplaatst.
