De
zaagslee bestaat uit een ongeveer veertien meter lang houten rechthoekig
raam. De lange kanten, de leiers zijn van grenenhout. De zeer zwaar
uitgevoerde korte eindstukken, de sledehoofden zijn van van eiken. Aan één
zijde van de slee bevindt zich boven de leier nog een lange balk: het
pollenstuk. Hierop staan op regelmatige afstanden houten blokken, de pollen.
Deze pollen hebben een gaten waarin we balkijzers op verschillende hoogte
kunnen plaatsen, afhankelijk van de dikte van de stam. Aan de lage kant van
de zaagslee zit tegenover elke pol een oog waaraan het touw dat aan de
balkijzers zit wordt vastgemaakt. De slee rust op sterke balken in de
zaagvloer en beweegt hierover naar voren tijdens het zagen. Neuten op de
vloer zorgen ervoor dat de slee zich kaarsrecht voortbeweegt.
Als het zaagkarwei voltooid is word de slee met de winderij weer naar zijn
beginpositie getrokken.
Op
de zaagslee leggen we een aantal dwarsbalken, de zomers of schotels, hierop
wordt de stam gelegd met de top bij het zaagraam. De stam wordt daarbij zo
zorgvuldig mogelijk uitgelijnd. Eventuele ruimte tussen de zomers en stam
wordt opgevuld met planken en wiggen. Balkijzers worden over de stammen
gelegd en in de pollen gestoken en met zogenaamde wurgtouwen aan de ogen
gemaakt. Door de speciale manier van vastbinden wordt het
wurgtouw strak aangetrokken en ligt de boom goed vast op de slee. We
zagen tot vlak bij een balkijzer en zomer, deze worden dan weggehaald en aan
de andere kant van het zaagraam weer bevestigd. De overige balkijzers zorgen
ervoor dat de stam hierbij onbeweeglijk op de slee blijft liggen.
De slee met daarop de stam wordt voortbewogen door het krabbelwerk. Vlak
achter het zaagraam zit een klein tandwiel of
rondsel dat in een tandheugel grijpt die onder de gehele slee is
gemonteerd. Dit kleine tandwiel staat in verbinding met een groot tandwiel,
het krabbelrad. Aan het zaagraam zit een zogenaamde krabbelstok die
verbonden is met
de krabbelaar en de pal. Telkens als het zaagraam omhoog beweegt trekt
de krabbelaar het krabbelrad een klein beetje verder en schuift de slee iets
op. De pal op het krabbewiel voorkomt dat de slee door de zaagbeweging wordt
teruggeduwd.
We kunnen het krabbelmechaniek zo instellen dat de zaagslee een snelheid
heeft van minimaal twee tot maximaal vijf meter per uur. De zaagsnelheid
wordt zowel door de dikte als hardheid van het hout bepaald.
